<< terug

Juridische basis

Bedreigd bouwkundig erfgoed

Het taakgebied van het Cuypersgenootschap omvat vooral het behoud van negentiende – en twintigste-eeuws cultuurgoed. Dat werkgebied is betrekkelijk ruim. Het omvat in ieder geval veel meer dan alleen kerken. Ook voor fabriekscomplexen, allerlei soorten woningbouw, scholen en bestuursgebouwen zetten wij ons in. Bovendien besteden wij steeds meer aandacht aan bouwkundig erfgoed dat dateert van na de Tweede Wereldoorlog, uit de periode van de Wederopbouw.

De oprichting van het Cuypersgenootschap in 1984 was een direct gevolg van het feit dat een organisatie die zich effectief wil inzetten voor het behoud van cultureel erfgoed in welke vorm ook, gebruik moet kunnen maken van wettelijke middelen.

Op grond van de statutaire doelstelling kan het Cuypersgenootschap belanghebbende zijn bij het doen van een aanvragen voor bescherming in het kader van de Monumentenwet. Niet belanghebbenden worden door de Staatssecretaris niet ontvankelijk verklaard, dat wil zeggen dat hun aanvraag niet in behandeling wordt genomen.

Het juridisch instrumentarium

De monumentenwet van 1988 is één van de middelen die ons ten dienste staan. De tekst van deze wet is te vinden op www.rdmz.nl.

De werking van Monumentenwet 1988 beperkt zich tot bouwsels door de mens vervaardigd die ouder zijn dan vijftig jaar. Deze wet omvat zowel archeologische- als bovengrondse voortbrengselen.

De rijksoverheid kan uit eigen beweging overgaan tot plaatsing op de rijksmonumentenlijst (na instemming van betrokkenen), maar de wet kent ook artikel 3 lid 1 dat het mogelijk maakt dat belanghebbenden de Staatssecretaris van OCenW verzoeken tot inschrijving van een object in het rijksmonumentenregister. Bij veel acties van het Cuypersgenootschap wordt het middel van de aanvraag op grond van artikel 3 gebruikt.

Vanaf het moment dat door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg de kennisgeving aan de eigenaar, de andere zakelijk gerechtigden, de hypothecaire schuldeisers is verstuurd, geldt voor het object in aanvraag de voorbescherming: het regime van de Monumentenwet geldt.
De Staatssecretaris wint advies in van de gemeente, indien het object buiten de bebouwde kom ligt bij de provincie en van de Raad voor Cultuur. Daarna neemt de Staatssecretaris een besluit op de aanvraag. Conform de Algemene wet bestuursrecht is tegen dat besluit bezwaar mogelijk en vervolgens beroep (rechtbank) en hoger beroep (Raad van State).

Andere juridische middelen.

Het bestemmingsplan. Iedere gemeente dient aan een gebied en/of een pand een bepaalde bestemming te geven. Een gemeente kan in haar monumentenverordening bepalen dat ook jongere bouwwerken in aanmerking komen.
Wanneer het Cuypersgenootschap vindt dat de bestemming van een pand, complex of gebied niet verenigbaar is met het monumentale karakter van dat object(en), kan daarop actie worden ondernomen. Dat kan door het indienen van de zogenaamde zienswijzen (gedurende de procedure) en/of door bezwaar te maken tegen de vaststelling van het bestemmingsplan. We hebben het hier over het werkingsgebied van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

De gemeentelijke monumentenverordening.

Niet iedere gemeente in Nederland heeft een dergelijke verordening maar verreweg de meesten wel. Omdat een monumentenverordening wordt vastgesteld door de gemeente raad, kunnen aard en inhoud van de verordening van gemeente tot gemeente verschillen. In ieder geval biedt de gemeentelijke verordening belanghebbenden de mogelijkheid een verzoek te doen tot het plaatsen van een onroerende zaak op de gemeentelijke monumentenlijst.

Niet iedere gemeente kent helaas het instrument van voorbescherming. Dat houdt in dat in geval van een verzoek het object waarvoor bescherming is gevraagd het regime van de monumentenverordening gaat gelden, dus alsof het object een monument is in afwachting van het besluit van het bestuursorgaan. Burgemeester en wethouders vragen voor de besluitvorming het advies van de monumentencommissie. Dat advies is niet bindend. Het besluit op het verzoek, de beschikking geeft de mogelijkheid tot bezwaar tegen datzelfde besluit. Per 1 juli 2005 kan in het besluitvormingsproces zienswijzen ingebracht worden. Tegen het daaropvolgend besluit staat in dat geval de beroepsmogelijkheid open. Indien het bezwaarschrift ongegrond wordt verklaard bestaat er een beroepsmogelijkheid: een rechtsprocedure en daartegen is dan weer hoger beroep mogelijk bij de Raad van State. Is er voorbescherming dan geldt deze tot en met de uitspraak van de Raad van State.

Is er geen gemeentelijke voorbescherming en er is een sloopvergunning voor het object waarvoor reeds een gemeentelijke monumentenstatus is aangevraagd dan wordt handhaving van hetzelfde object erg moeilijk. Een gemeente mag een sloopvergunning niet weigeren indien aan bepaalde criteria wordt voldaan. Tegen een besluit tot afgifte van een sloopvergunning is wel bezwaar mogelijk en daarna is er een beroepsmogelijkheid bij de rechtbank en een hoger beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. Maar deze procedures hebben geen schorsende werking.

De provinciale monumentenverordening

De werking van de provinciale verordening kan worden vergeleken met die van de gemeente. Slechts de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Drenthe hebben een monumentenverordening.

Intensieve correspondentie

Het Cuypersgenootschap dient niet zo maar een aanvraag tot bescherming of plaatsing in. Een actie op grond van artikel 3 is een tijdrovende en arbeidsintensieve zaak. Het dossier van een actie omvat al gauw heel veel pagina’s en vereist een intensieve correspondentie. Bovendien omvat de lijst van Rijksmonumenten inmiddels tienduizenden objecten. Deze lijst kan niet tot het oneindige worden uitgebreid. Bescherming en instandhouding kosten immers veel geld dat moet worden opgebracht door de belastingbetaler.

Het Cuypersgenootschap gaat dus pas over tot actie na gedegen kunsthistorisch en juridisch vooronderzoek. De haalbaarheid van een actie wordt indien mogelijk onderzocht. Het heeft immers niet veel zin actie te voeren wanneer het draagvlak voor behoud niet aanwezig is.
Vaak wordt daarbij overleg gepleegd met andere en plaatselijke behoudsorganisaties.

Het aanwijzingsbeleid

De Rijksdienst erkent vier perioden:
1. voor 1850
2. 1850 – 1940 MRP
3. 1850 – 1940 MSP/MRP
4. 1940 – 1965

De leeftijd van vijftig jaar die een gebouw of ander object moet bereiken om in aanmerking te komen voor wettelijke bescherming op grond van de Monumentenwet 1988 is in steeds meer gevallen een lastige hindernis. Het Cuypersgenootschap zet zich steeds actiever in voor bouwkundig erfgoed uit de periode van de Wederopbouw, de periode die technisch gezien in 1945 begon. Veel waardevolle gebouwen uit de periode worden bedreigd. Omdat de wetgever ook erkent dat bepaalde categorieën niet zonder bescherming mogen blijven, is sinds 26 februari 2000 een aanwijzingsbeleid van kracht.

Volgens het vigerende beleid van de Staatssecretais van OcenW worden in beginsel aanvragen betreffende panden uit de wederopbouwperiode (1940 –1965) afgewezen vanwege de nog ontbrekende kennis van de RdMZ op dit gebied. Ook speelt de 50 jarengrens een grote belemmering als het om wederopbouw gaat. Maar ook panden uit de voorliggende periode, de periode 1850 – 1940 (jongere bouwkunst) en panden uit de periode tot 1850 worden afgewezen na een “artikel 3 aanvraag” tenzij het gaat om nieuwe feiten of tenzij het gaat om vergeten objecten.

Per 23 juli 2004 heeft staatssecretaris Medy van der Laan een Tijdelijke beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten (Stcrt. 21 juli 2004, nr. 137) doen uitgaan dat de werking van een aanvraag gedaan door belanghebbenden (artikel 3 Monumentenwet 1988) tot 1 januari 2006 tijdelijk wordt opgeschort. Dat betekent dat er in beginsel geen monumenten aangewezen worden. De minister veronderstelt dat alles van vóór 1940 als bekend verondersteld kan worden en er niets meer aan de lijst van objecten uit die periode toegevoegd behoeft te worden. Voor objecten die na 1940 vervaardigd zijn maakt de minister een uitzondering wanneer het gaat om een topmonument en het object in zijn voortbestaan bedreigd is en dat door niet aanwijzing het object verloren gaat.

Deze maatregel is niet van toepassing op bedreigde topmonumenten van na 1940 en archeologische monumenten alsmede voor monumenten waarvoor de procedure vóór inwerkingtreding van de beleidsregel is gestart of bij belanghebbenden vertrouwen is gewekt omtrent aanwijzing als beschermd monument (MSP, verfijningsoperatie buitenplaatsen). Hiervoor gelden bij aanwijzing de beleidsregels uit 2000. Het moratorium is inmiddels verlengd tot 1 juli 2007